Graag wil ik Bobo’s Blue Bell, een 25-jarige pony, een ruin, aan jullie voorstellen.

Onlangs gebeurde er iets opmerkelijks. Ik was zoals gewoonlijk paarden op afstand aan het behandelen. Er toen kwam er heel duidelijk een gemeenschappelijke vraag omhoog. Niet alleen van de paarden die ik op dat moment aan het behandelen was, maar ook van paarden verder weg.
Er werd mij duidelijk gemaakt dat ik op zoek moest gaan naar het verhaal van een paard. Maar ik had op dat moment geen flauw idee welk paard er bedoeld werd.

Ik liet de vraag rusten en vertrouwde erop dat het wel duidelijk zou worden. En jawel hoor, toen ik een paar dagen later naar Nele Stevens ging van Domein Panhof in Peer, kwam die duidelijkheid. Meteen toen ik het terrein opreed kreeg ik een sterk signaal van een pony die daar in de wei stond. Hij maakte in een flits rechtsreeks contact met een glashelder: ‘Zie je mij nu?’ Ik parkeerde de auto. En  liep met het beeld van deze pony in gedachten naar binnen. Nog voor ik binnen was kreeg ik een tweede boodschap door: ‘Ja, ik ben diegene waar die andere paarden het over hadden.’

Binnen vertelde ik aan Nele wat de paarden mij thuis aangegeven hadden, en wat ik zojuist had meegemaakt. ‘Ik denk dat het Bobo is’, zei ze. ‘Kom, we gaan naar buiten.’ Hoewel Nele niet wist met welke pony ik contact had gehad toen ik de parkeerplaats was opgereden, liep ze in de wei direct op die pony af. Toen we voor hem stonden, zei ze: ‘Dit is Bobo’s Blue Bell.’ En voor de derde keer bevestigde de pony nu zijn boodschap: ‘Ja, je moet bij mij zijn, want ik heb je iets te vertellen en dat heb ik aan andere paarden laten weten.’

Bobo was meteen heel duidelijk. Hij wilde zijn verhaal vertellen. En dat was geen bijzonder verhaal. Hij wilde dan ook absoluut geen medelijden. Maar hij wilde dat zijn verhaal ons aan het denken zou zetten. Dat was het bijzondere. Want er gaapte volgens hem een kloof tussen onze ideeën over paarden, en de werkelijke ervaringen en belevingen van paarden zelf. En Bobo wou mij dat duidelijk maken. ‘Want ik zou het wel verder vertellen.’ Tenminste, hij zei dat de andere paarden dat ook gezegd hadden.   

Daarom, hieronder het verhaal van Bobo’s Blue Bell:

‘Ik heb veel plezier gekend. Zeker in de wedstrijdsport waar ik goed in was. En ook buiten in de wei bij de mensen waar ik vroeger stond. Ik heb echter ook veel druk ervaren. Ik kon daar aanvankelijk goed mee ‘dealen’, zoals jullie dat dan zeggen. Ook al was het soms best veel: de prestatie die ik moest leveren, de ambitie die me opgelegd werd en de verwachting die men van mij had. Maar als het dan zover was dat ik kon laten zien wat ik in huis had, dan was ik op en top in mijn element. Dan kreeg ik als het ware vleugels.

Ik wist heel goed wat er van mij verwacht werd als ik op wedstrijd ging. En ik werd aanvankelijk ook beloond. Maar dat werd minder. Men begon er gewoon op te rekenen dat ik deed wat ik moest doen. Er werd steeds minder aandacht aan me besteed. Ik kreeg eten, ik werd verzorgd, maar het werd allemaal minimaal. En dan liet ik af en toe merken dat ik er ook nog was. Dan gooide ik mijn kont tegen de krib. Maar dat had een averechts effect.

Op een gegeven moment kreeg ik steeds vaker het gevoel dat ik er eigenlijk niet toe deed. Ik begon mijn werk minder leuk te vinden. Het was een kunstje geworden. Elke keer hetzelfde. Er was geen uitdaging meer. Ik deed mijn rondjes op de automatische piloot en het gaf me geen voldoening meer. Ik presteerde zoals verwacht werd. Maar men was dat gewoon gaan vinden. Er stond geen aandacht meer tegenover. Ik voelde me daardoor vaker alleen. Ook al deed ik nog zo mijn best, er kwam geen waardering en daardoor raakte ik wat neerslachtig. Ik had het gevoel alsof ik de grond onder mijn voeten aan het kwijtraken was. Maar het ergste was dat ik dat gevoel  niet kon delen. Men stond niet open voor signalen van mijn kant. Het leek alsof de mensen om mij heen allemaal dovemansoren hadden en ziende blind waren.

Daardoor ging het steeds slechter met me. Op een gegeven moment wist ik eigenlijk niet meer wat ik nog moest doen met mijn probleem. Ik had steeds minder plezier in mezelf. Dus keerde ik me naar binnen en hield me maar stil. Want ik had al gemerkt dat, als ik wel duidelijk mijn stem liet horen, dat men dan nog meer afstand van mij nam. En mijn eenzaamheid en isolement werd dan alleen maar groter.

Maar tóch was er ook iets wat me op de been hield: er was een innerlijk weten, dat ik nog ergens op mocht hopen. Ik zag soms een heel helder wit licht van boven. Dat gaf me sterkte in mijn momenten van twijfel. Het liet me weten dat er een moment zou komen waarop ik weer gehoord zou worden.

En jawel hoor. Op een dag gebeurde het. Ik wist als geen ander de signalen te duiden van mijn vaste routes in de trailer. Maar deze keer was het anders. Ik volgde een andere route. Ik werd verplaatst! En ik voelde dat ik naar een fijnere plek toeging. En daar kwam er stukje bij beetje weer ‘licht’ in mijn leven. Want men besteedde weer zorg aan mijn eten. Ik werd met aandacht verzorgd. En er sprak weer iemand tegen mij.

Ik vond het wel spannend om me weer met vertrouwen open te stellen voor contact. Want de mensen die ik eerder mijn vertrouwen had gegeven, hadden me teleurgesteld. Men had over mij beslist, maar nooit met mij overlegd. Men was niet oprecht geweest. Niet naar zichzelf, en al helemaal niet naar mij.

Ik stond nog niet zo lang op die nieuwe plek toen ik weer werd verplaatst. Maar ook deze verhuizing voelde goed. Ik kwam nu zelfs in een kudde te staan met soortgenoten en lotgenoten. Ik kon er niet over uit dat ik dit nog mee mocht maken: een stille wens werd werkelijkheid. Nu kon ik de energie ook weer opbrengen om kinderen wederom blij te maken. Daar was ik eerder altijd goed in geweest, maar ik had niet meer durven geloven dat dat ooit weer terug zou komen.

Al ga ik er wel meteen bij vertellen dat ik nu nog niet ben wie ik eigenlijk hoor te zijn. Het verleden heeft zo zijn sporen achtergelaten. Er mag nog wat op zijn plek gezet worden, maar de wil en het plezier om kinderen blij te maken helpt mij om een deur dicht te doen en de nieuwe deur wagenwijd open te zetten. Want het voelt als iets wat bij me past.

Wat ik duidelijk wil maken is dat wij als paarden, of we nu groot of klein zijn, altijd voor én met elkaar leven. En dat willen we in de relatie met mensen ook realiseren. Wij willen en kunnen eigenlijk ook niet anders. Wij kennen geen pose, geen houding. Wij hebben geen buitenkant. Bij ons is er een directe verbinding tussen binnen en buiten. Daarom kun je aan ons ook aflezen hoe we ons voelen. maar omgekeerd willen we jou ook kunnen beleven en voelen.

En daar schort het vaak aan. Het gaat om het ‘lichtje’ vanbinnen, dat elk levend wezen in zich draagt en dat wij bij mensen om ons heen kunnen zien én aanraken. Maar tegenwoordig zijn veel mensen daar niet meer op gericht. Alle aandacht en energie gaat naar materie en bezit. De buitenkant van mensen spoort niet meer met de binnenkant. De spulletjes rondom een paard krijgen meer aandacht dan het paard zelf. En dat doet pijn. Daar worden we ontkend in ons wezen en dat vreet aan onze energie en daarmee ook aan onze inzet. Want wij willen niets liever dan samen werken, samen optrekken, samen verdergaan. Maar dat vraagt behalve respect voor elkaar ook inzet en aandacht. En die moet wel van twee kanten komen.’